Gebruik van gewasbeschermingsmiddelen in België en Europa
Wat kan, en voor hoelang nog?
In de wereld van vandaag zijn er in de land- en tuinbouwsector maar weinig thema’s waarover de polarisatie zo groot is, als over het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen. Hoewel er voldoende wetenschappelijke informatie voorhanden is, wordt het debat vaak heel emotioneel gevoerd. Hoe komt dat? En wat is nu precies feit of fabel bij het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen in onze land- en tuinbouw?
Op dit moment is er een wettelijk kader dat bepaalt welke gewasbeschermingsmiddelen al dan niet verboden zijn. Die regelgeving ontstaat in twee stappen. Eerst wordt een bepaalde werkzame stof toegelaten op Europees vlak. In tweede instantie volgt de toelating van het gewasbeschermingsmiddel dat van die werkzame stof gebruikmaakt op nationaal vlak. Een stof die verboden is op Europees niveau, zal dus ook in de EU-lidstaten verboden zijn.
Eerst Europa, dan de lidstaat
Tijdens een studiedag die Boerenbond organiseerde over gewasbeschermingsmiddelen legde Maarten Trybou, diensthoofd dienst pesticiden en meststoffen bij de FOD Volksgezondheid, uit hoe zo’n goedkeuringsproces precies verloopt. “De aanvraag bij Europa gebeurt door de fabrikant. Die bepaalt dus zelf welke stof hij wil laten goedkeuren en voor welke teelten. De overheid heeft daar dus niets mee te maken. De aanvraag wordt ondersteund door eigen studies en openbare literatuur. Het gaat hier dan over een onderzoek voor een bepaald middel op de markt komt, het is geen onderzoek naar de effecten in de praktijk.”
“Concreet gaat het over het effect op preferentie-organismen versus de normen versus de in rekening gebrachte veiligheidsmarges. Daar zijn dan ook nog gradaties in. Als het gaat over effecten op de mens nemen we geen risico’s. Het minste effect op de mens wordt niet aanvaard. Op Europees vlak zal de stof uiteindelijk enkel goedgekeurd worden wanneer er minstens één veilig gebruiksscenario is.”
“Om de resultaten van de studies met elkaar te kunnen vergelijken, wordt gewerkt met standaardstudies volgens een afgesproken methodologie. Maar de wetenschap evolueert, dus die methodologie kan veranderen. Dat brengt met zich mee dat wanneer je een hernieuwing van de goedkeuring van de werkzame stof wil doen, die moet gebeuren volgens de aangepaste – lees: strengere – methodologie. Voortschrijdend inzicht zorgt ervoor dat we nu middelen moeten verbieden, die we vroeger wel zouden hebben toegelaten.”
Verschillen tussen de lidstaten onderling
Na de Europese goedkeuring volgt de procedure op nationaal niveau. “We werken dan met een preparaat met de werkzame stof en de hulpstoffen, de etikettering en de gebruiksaanwijzing voor veilig gebruik. Die wordt dan toegepast op nationale teelten en plagen. Wat in ons land een kleine teelt is, kan in een ander land net een belangrijke teelt zijn en omgekeerd. Dat kan voor verschillen zorgen in de toepassing, net zoals de nationale omkaderende wetgeving die verschilt tussen de lidstaten onderling.”
“Er zijn helaas nog lacunes in de toelatingsprocedure en daar moeten we niet blind voor zijn. Zo dateren enkele van onze gebruikte normen nog uit de jaren 80. Daarnaast gebeurt de evaluatie voor één enkel gewasbeschermingsmiddel per teeltseizoen, terwijl er in de praktijk in zo’n seizoen waarschijnlijk meerdere middelen worden gebruikt. Ook niet onbelangrijk: we evalueren enkel voor het toegelaten gebruik. Als je in plaats van je veld de gracht zou bespuiten, weet niemand wat de effecten daarvan zullen zijn.”
“Vanuit het departement zitten wij tussen hamer en aambeeld. Wij zien de landbouwers als onze klanten en willen een goede service leveren voor hen, maar natuurlijk mogen we nooit de effecten op volksgezondheid en leefmilieu minimaliseren.”
Laag risico en precisielandbouw
“In het verhaal van de gewasbeschermingsmiddelen zijn er twee heldere lichtpuntjes: inzetten op laag-risicomiddelen en op precisielandbouw. Bij die laag-risicomiddelen gaat het voornamelijk om natuurlijke pesticiden. We gaan ervan uit dat die meer future proof zijn dan synthetische middelen en daarom kunnen dienen als alternatief wanneer die laatste wegvallen.”
“Bij precisielandbouw denken we aan gerichte toepassingen met beperkte blootstelling: lagere dosissen, via high tech spuitmachines die onkruiden visueel herkennen en enkel daar toepassen waar de onkruiden zich bevinden. Dit laat toe om de dosis per hectare te verlagen om zo aan de wettelijke normen te kunnen voldoen. Op die manier kunnen we ‘problematische’ middelen toch aanvaardbaar houden. Een probleem daarbij is dat in de toelatingsprocedure op Europees vlak toepassingen met volleveldbespuitingen worden aangevraagd. Een middel dat er daar niet doorkomt, geraakt niet tot bij ons.”
De situatie in Vlaanderen
De erkenning van gewasbeschermingsmiddelen is in België een federale materie, maar de Vlaamse overheid deelt de bezorgdheden van hun federale collega’s, aldus Patricia De Clercq, administrateur-generaal van het Agentschap Landbouw en Zeevisserij. “Bij het Agentschap begrijpen wij heel goed dat er middelen en technieken nodig zijn om ons te beschermen tegen schade, zowel de klassieke middelen als een geïntegreerde bestrijding. Landbouw in Vlaanderen is een intensief productieproces, zowel in de dierlijke als in de plantaardige sector. We produceren met veel toegevoegde waarde, dat blijkt ook uit de verzamelaanvraag. En daar zijn gewasbeschermingsmiddelen voor nodig.”
“21% van de actieve stoffen treffen we aan in de fruitteelt in openlucht, een hoeveelheid die vergelijkbaar is met de aardappelteelt. Daarna volgen mais en graangewassen. We zien wel een verschuiving in het soort middelen dat wordt gebruikt. In 2022 was 19% van de aangetroffen actieve stoffen afkomstig van producten die toegelaten zijn in de biolandbouw. In 2014 was dat nog maar 10%. We merken dus dat die middelen ook meer en meer hun weg vinden naar de gangbare productie. Daarnaast zien we ook een grotere inzet van alternatieve gewasbeschermingstechnieken zoals mechanische onkruidbestrijding, of het gebruik van insectennetten in de openluchtgroente- en fruitteelt.”
“Als we kijken naar de Harmonised Risk Indicators kunnen we positief zijn. In het kader van de Green Deal moeten die in 2030 gedaald zijn met 50%. We zitten nu al aan 46%, dus de daling is ingezet en wat er leeft in Europa is zeker realistisch en haalbaar. En wat meer is: we hebben sinds de daling van het gebruik ook geen aanzienlijke problemen opgemerkt door ziekten en plagendruk, en dat is een mooi signaal. Maar als we de sector ondervragen over de toekomst, krijgen we toch een deprimerend beeld. Daar moeten we naar luisteren en met de signalen die we krijgen vanuit de sector moeten we aan de slag gaan. De vraag die leeft is met name: hoe kunnen we vanuit economisch en technisch perspectief voldoende middelen beschikbaar houden?”
“Als Vlaamse overheid hebben wij geen impact op wat op Europees niveau gebeurt rond de toelating van die middelen. Maar we kunnen landbouwers wel ondersteunen en hefbomen bieden om ermee aan de slag te gaan. VLIF-steun en de ecoregelingen zijn van die hefbomen. Het is ook belangrijk dat je bijblijft en ook daar zijn maatregelen voor zoals de kennisportefeuille en een gesubsidieerd vormingsaanbod met onder andere de fyto-opleidingen. Het is vooral belangrijk om weg te blijven van de waan van de dag en de maatschappelijke polarisatie rond gewasbeschermingsmiddelen, maar echt op zoek te gaan – samen met de landbouwsector – naar oplossingen die haalbaar zijn.”
Drinkwaterwinning
Wanneer we denken aan het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen, kunnen we niet anders dan het hebben over de impact die deze middelen hebben op het water. “Er zijn twee bronnen van drinkwater: oppervlaktewater en grondwater”, legt Ingrid Keupers uit, senior hydroloog bij De Watergroep. “Als er grondwater beschikbaar is, krijgt dat de voorkeur, omdat dan de natuur al een voorzuivering heeft gedaan. Drinkwater winnen uit oppervlaktewater is moeilijker, maar het gebeurt wel daar waar er niet of niet voldoende grondwater beschikbaar is.”
“Grondwater is in feite regenwater dat zeer langzaam door de bodem is gedrongen. We zijn hierbij afhankelijk van de geologie en natuurlijke aanvulling. Als er verontreiniging zit in het grondwater, is die zeer moeilijk te saneren. We moeten dus vermijden dat dit vervuild geraakt. Bij grondwater zien we een redelijk constante kwaliteit doorheen de tijd. Bij oppervlaktewater fluctueert die kwaliteit heel sterk. Oppervlaktewater is ook heel gevoelig voor verontreiniging door bijvoorbeeld mest, gewasbeschermingsmiddelen, een lekkende mazouttank … Behandeling hiervan tot drinkwater is complex en duur.”
“De normen voor drinkwater en grondwater zijn gelijk. Bij oppervlaktewater geldt een heel ander wettelijk kader. Om het water te zuiveren gebruiken wij actieve kool. Vervuilingen die in vet oplosbaar zijn, zijn slecht voor de ecologie want deze kunnen zich opstapelen. Dat heet bio-accumulatie. Stoffen die daarentegen makkelijk oplosbaar zijn in water, zijn beter voor de ecologie, maar moeilijker uit het water te verwijderen door ons. Dat is dus een tegenstelling: stoffen worden tegenwoordig vervangen door ecologisch minder schadelijke varianten, maar die zijn dan wel moeilijker verwijderbaar uit oppervlaktewater dat bestemd is voor drinkwater.”
“De kostprijs van drinkwaterproductie vergroot logischerwijze wanneer er meer verontreinigingen aanwezig zijn. Het gaat daarbij niet enkel om de financiële kost. Ook de impact op het milieu telt mee, want om verzadigde actievekoolfilters te regenereren is er heel veel energie nodig.”
Gewasbeschermingsmiddelen blijven noodzakelijk
Boerenbond wil het kader creëren om voldoende en veilig voedsel te produceren in Vlaanderen. We willen dit doen op basis van wetenschappelijke inzichten en ook zorgen dat de brede maatschappij op een correcte manier geïnformeerd wordt. Als het gaat over gewasbeschermingsmiddelen, dan kan je niet communiceren met een oneliner maar is meer inhoudelijke kennis cruciaal. We hebben een pakket aan gewasbeschermingsmiddelen nodig om onze planten gezond te houden. Wel is er een enorme evolutie bezig in het soort gewasbeschermingsmiddelen die we gebruiken, want we zien dat 20% van de gebruikte gewasbeschermingsmiddelen, producten zijn die ook een erkenning hebben in de biologische landbouw. Dit percentage stijgt de laatste jaren. Als sector investeren en sensibiliseren we bijzonder veel in de richting van het correct gebruik van gewasbeschermingsmiddelen zodat mens, dier en milieu hier geen nadelen van ondervinden. Cijfers van het FAVV bevestigen dat in België geproduceerde planten zeer goed scoren op vlak van voedselveiligheid als het aankomt op de aanwezigheid van residuen van gewasbeschermingsmiddelen.